Tocht van G.C.E. van Daalen door de Gajo-, Alas- en Bataklanden

Uut Wikipedia
Hi nae: navigaotie, zoeken
Officiersverblijf in Koeto Lintang
Luitenant-kolonel van Daalen.

De tocht van G.C.E. van Daalen door de Gajo-, Alas- en Bataklanden was de tocht onder leiding van Gotfried Coenraad Ernst van Daalen door de Gajo-, Alas-, en Bataklanden in 1904, gedurende de Atjehoorlog.

Discussies over deze tocht[bewerk | brontekst bewerken]

Na de tocht viel een groot aantal doden onder de bevolking; naar schatting werd ruim een kwart van de inwoners van de dunbevolkte Gajo- en Alaslanden gedood: 2.902 mensen, waaronder 1.159 vrouwen en kinderen. De slag om Koeto Reh op 14 juni 1904 wordt door tijdgenoten-critici ook wel omschreven als een moordpartij vanwege het grote aantal doden onder de bevolking en het feit dat geen enkele man van de verdedigers meer in leven was.[1] De tocht werd door militaire bronnen geprezen om de voortvarendheid waarmee deze contraguerilla was uitgevoerd. In politiek Den Haag leidde het hoge aantal slachtoffers onder de bevolking echter tot felle discussies. Socialist Hendrikus Hubertus van Kol vergeleek het optreden van Van Daalen met de wreedheden van de hertog van Alva tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Koningin Wilhelmina wilde van kritiek op Van Daalen echter niet weten en onderscheidde hem met het commandeurskruis van de Militaire Willems-Orde.[2]

Zowel bij de beraadslagingen over het adres van antwoord op de troonrede, als bij die over de begroting van Nederlands-Indië werden door leden van de Tweede Kamer harde woorden aan het adres van het Indische leger gericht; woorden, die zelfs over de grenzen een weerklank ten nadele van het prestige vonden. De grote offers aan vrouwen en kinderen, die de vijand, gedurende de tocht van Van Daalen, gebracht hadden, waren hiervan de oorzaak. Aan de andere kant was het zo dat vrouwen en kinderen ongedeerd het tooneel van den strijd konden verlaten, maar daaraan geen gevolg gaven, maar integendeel de wapens ter hand namen, waarmee zij de Nederlandse troepen te lijf gingen en gehele troepen, mannen, vrouwen en kinderen, zich ten dode wijdde, en zich in feestkleren in grafkuilen neerlegden en het einde afwachtten, maar pas na tot het laatst gevochten te hebben.[3]

Inleiding[bewerk | brontekst bewerken]

In december 1903 maakte de bestuurder van de Gajo- en Alaslanden een dienstreis over de Aroe-baai en Salahadji naar Koeala Simpang om hier enkele geschillen te onderzoeken die waren gerezen tussen de Kedjoeròn Karang, een Tĕminags landschapshoofd, wiens gebied onmiddellijk grensde aan de nederzettingen van de Gajo's, gelegen aan de Boven Tĕmlang-rivier. Hoewel al eerder bekend was dat veel Gajo's vooral uit de Gajo-Loeös, Sèrbödjadi en Linggö naar Tĕmiang afdaalden om daar hun bosproducten en hun vee te verkopen en zich de in het bovenland benodigde invoerartikelen aan te schaffen, bleek bij dit bezoek pas echt dat de contacten van het Nederlandse bestuur met de inwoners veel groter was geweest wanneer de Nederlandse ambtenaren zich niet stelselmatig onthouden hadden van alle contacten met de binnenlandse aangelegenheden van de toen nog onafhankelijk genoemde volksstammen. Ook nadat de regering bepaald had dat de Gajo- en Alaslanden voortaan tot het gouvernement Atjeh en Onderhorigheden gerekend zouden worden en daar onderhorig aan zouden zijn, bleef die minder gewenste toestand in Tĕmiang bestaan, totdat het militair -en civiele bestuur van Atjeh en de oost-kust van Sumatra, in overleg met elkaar, in afwachting van de toevoeging van de onderafdeling Tĕmiang aan Atjeh, een voorlopige regeling troffen.

Drager tijdens een militaire expeditie.

Een officier van het garnizoen te Koeala Simpang werd namelijk belast met de behartiging van de Gajö-zaken, terwijl hem een mobiel peloton ter beschikking werd gesteld. De bestuurder der Gajö -en Alaslanden had bij dit bezoek een ontmoeting met verschillende Gajö's en ook met de Kĕdjoeròn Pĕtiambang, die onder andere berichtte, dat men in de Gajö-Loeös al ingelicht was over de voorgenomen tocht daarheen en dat er een verzetspartij was, die de meest bruikbare toegangswegen naar genoemd landschap - de Intém Intém, de weg over Péndéng en de weg van Soesoh - al in staat van verdediging had gebracht, om de opmars van de Nederlandse troepen, zoals ook in 1902 op de Intém Intém gebeurd was, te stuiten. Aan de Kĕdjoeròn werd medegedeeld, dat het in de bedoeling lag, om met een troepenmacht een bezoek te brengen aan de Gajö- en Alaslanden en dat onze troepen ditmaal niet zouden teruggaan, maar het in de ogen van de Gajo's voor de Nederlandse troepen ontoegankelijke bergland daadwerkelijk zouden betreden. Tevens werd hem opgedragen naar zijn land terug te gaan en zijn hoofden te melden, zich met hem bij de colonne-commandant aan te melden, zodra de troepen in de Gajö-Loeös zouden zijn aangekomen.

Sarcofaag in Si Temorong.

Hoewel de Kĕdjoeròn bij het ontvangen van deze last geen bezwaren maakte, was hij - uit vrees voor de vijandelijke partij in zijn eigen land - niet vertrokken en, zoals zal blijken, pas later met de Nederlandse troepen naar zijn gebied gegaan. In verband met de bestaande plannen ten opzichte van de Gajö-Loeös en de Alaslanden werd het nuttig geoordeeld ook een colonne, getrokken uit het garnizoen van Koeala Simpang, naar het door de Nederlanders nog nooit bezochte en opstandige Péndéng te doen oprukken om twee redenen: de onderwerping van die streek en het openen van een goede gelegenheid tot evacuatie van de gewonden en zieken van de in de Gajö-Loeös agerende colonne. Aldus werd besloten; de civiele -en militaire gouverneur droeg de bestuurder van de Gajö -en Alaslanden (aan wie het bevel over deze samen te stellen colonne zou worden gegeven) op een instructie te ontwerpen voor de commandant van bovenbedoelde troepen van Koeala Simpang; nadat deze instructie ter goedkeuring aan de militaire commandant aan de oostkust van Sumatra was gezonden, rukte de Témiang-colonne tegen Pédéng op en bereikte zij haar doel tijdig genoeg om de van haar verwachtte diensten te bewijzen.

Sterkte en samenstelling der expeditie[bewerk | brontekst bewerken]

De marechaussee-colonne waarmee de excursie naar de Gajö -en Alaslanden ondernomen werd was als volgt samengesteld: colonne-commandant was G.C.E. van Daalen, luitenant-kolonel van de generale staf; zijn adjudant was eerste luitenant der artillerie J.C.J. Kempees; verder een divisie marechaussees, onder bevel van kapitein Scheepens van 10 brigades, gesplitst in 2 halve divisies, elk van twee afdelingen, ieder van deze onder een luitenant; een ambulance onder officier van gezondheid 2de klasse H.M. Neeb; een afdeling opnemers onder eerste luitenant-opnemer G.E.Hoedt van de Topografische Dienst; de trein (dragers) van 110 mandoers en dwangarbeiders; met de excursie gingen verder mee mijningenieur Jansen met enig personeel tot het verzamelen van geologische gegevens en een gedelegeerde (mantri) van de plantentuin in Buitenzorg voor het verzamelen van botanische gegevens. Bij de ontscheping te Oleh Leh op de 8ste februari bedroeg de totale sterkte 10 officieren, 1 mijningenieur, 13 Europese onderofficieren, 1 Europese soldaat-ziekenverpleger, 208 Ambonese -en inlandse marechaussees; daarnaast treinpersoneel, 473 mandoers, dwangarbeiders en ongeveer 15 koelies, gidsen en officiersbedienden; in totaal 721 man.

Doel van de tocht[bewerk | brontekst bewerken]

thumb|Van Daalen ontvangt de hoofden van Gajo Loeos.

De instructie van de colonne-commandant betreffende het doel van de tocht was in hoofdzaak een bezoek te brengen aan het gebied van Radja Tjéq Bobasan van Radja Boekét en Keudjroeën Siah Oetama, daar de nodige bestuursregelingen te treffen, besprekingen te houden over de aanleg van een karreweg van Laut Tawar naar Peusangan en het eerste tracé voor die zgn. Gajoweg aan te geven. Daarnaast was het doel het bezoeken en voor zover nodig het laten afpatrouilleren van het gebied van Radja Linggo, proberen met dit hoofd in contact te komen en ook in diens gebied eventueel nodige regelingen te treffen.

Men moest oprukken naar Gajö-Loeös; in dit landschap het verzet breken van alle stamhoofden (Rödjö's, Tjéq's en Moeda's); eventueel ook kleinere hoofden die zich met hun stam of een deel van de stam gewapenderhand tegen een rustige en ordelijke staat van zaken zouden verzetten; daarna, bij voorkeur in de stamkampong Penampakan van Rödjö Petiambang, de voornaamste zogenaamde kiesgerechtigde hoofden (onder wie voor zover mogelijk de pengoeloe Si Soeö Belas) bijeen te roepen, hun mede te delen dat Këdjoeròn Bédén door het gouvernement erkend was als Këdjoeròn Petiambang over de Gajö Loeös, hij als zodanig door het Nederlands gouvernement werd beschouwd als territoriaal hoofd over het gehele landschap en het de nadrukkelijke wens van het gouvernement was, dat er een einde kwam aan de versnippering van gezag en de daaruit voortvloeiende onderlinge oorlogen en dat het eigenmachtig afzetten en aanstellen van Këdjoeròn's thans voorgoed een einde moest nemen. Men diende ook zo veel mogelijk de Gajö-Loeös af te patrouilleren, het voornaamste, meest bevolkte deel van dit landschap op te nemen, verdere bestuursregelingen te treffen, te zoeken van een verband met de colonne die van Koelala Simpang was opgerukt naar Péndéng; bevelen te geven aan die colonne-commandant en de vereiste inlichtingen en aanwijzingen aan de zich daarbij bevindende officier, belast met de bestuursaangelegenheden in het noord-oostelijk deel van het gebied van Rödjö Petiambang, te geven; de strategie te volgen in het gebied van Kĕdjoeròn Abaq werd geheel aan het inzicht en beleid van luitenant-kolonel van Daalen overgelaten. Verder zou men de Alas-landen bezoeken, het verzet ook hier breken, zo veel mogelijk gegevens verzamelen omtrent de bestuursinrichting en, voor zover nodig of gewenst, bestuurs -en andere regelingen treffen. Mochten vijandig gezinden uit de Alas-landen uitwijken naar aangrenzend Batak-gebied, dan wel bleek het om politieke of andere redenen gewenst om door die Batak-landen de kust te bereiken, dan werd daartoe aan de colonne-commandant onder nadere goedkeuring van de regering machtiging verleend. Bovendien verdiende het bijzondere aanbeveling zo mogelijk in de oeloe van Singkel een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid aldaar van Chinezen en andere niet tot de inheemse bevolking behorende personen, die volgens ingekomen berichten, vuurwapens repareerden en hierin handel dreven ten behoeve van Atjehnese bendehoofden, zoals Teukoe Ben Blang Pedië, en ook de bewoners der Alas -en Gajölanden van daaruit vuurwapens en munitie toevoerden.

De expeditie naar de Gajö -en Alaslanden (8 februari - 23 juli 1904)[bewerk | brontekst bewerken]

thumb|Boven Singkelrivier bij Djamboer Agoeson. thumb|Hangbrug over de Aick Raisan; Tapanoeli

De achtste februari werden de troepen ingescheept en kwamen de negende te Lhö Seumawé aan; nadat alles ontscheept was vertrok de colonne per Atjeh Tram naar Bireun, dat 's middags om vier uur bereikt werd, waarna men opmarcheerde naar het bivak Teupin Blang Mané, waar de colonne om half zeven aankwam. De daarop volgende dagen werd gemarcheerd; de 18de februari werden enige ravijnen doorgetrokken en in de namiddag kwam men te Toendjang aan, gelegen op ongeveer 900 meter hoogte en werd het bivak betrokken te kampong Pertèk; de bevolking toonde zich niet vijandig; enige zieke kampongbewoners werden door de officier der gezondheid onderzocht en de 14de februari werd de tocht voortgezet. Van de 16de tot de 20ste februari werd het bivak betrokken te Köng; deze tijd werd door de colonne-commandant benut om de hoofden op te roepen, besprekingen te houden en bestuursmaatregelen te treffen in het Laut-gebied en verder werd de omgeving afgepatrouilleerd. Van de 22ste tot en met de 28ste februari werd te Koetö-Rajang gebivakkeerd en ook hier werden er bestuursaangelegenheden geregeld. Gedurende de daaropvolgende tocht was de gids de weg kwijt geraakt en moest men op het kompas en door verkenningen uit hoge bomen en punten de goede richting zien te houden; daarbij moest de colonne door een zwaar geaccidenteerd terrein met diepe en steile ravijnen zijn weg zien te vinden en moest men op handen en voeten tegen de bergwanden opklauteren, terwijl boomstammen en wortels als grijppunten dienst moesten doen. Herhaaldelijk (20 tot 30 keer per dag) moesten snelstromende rivieren doortrokken worden; de negende maart werd eindelijk Kla bereikt; de volgende dag werd verder gemarcheerd naar Rĕröbö, waar de colonne het eerste verzet in het Gajö-gebied ondervond. De vijand werd echter met verlies van een drietal doden en enige gewonden teruggedreven en een eind vervolgd waarna het bivak betrokken werd in genoemde kampong tot en met 13 maart. Nadat door de patrouilles het terrein van kwaadwillenden gezuiverd was, die veel verliezen leden, werd de 14de maart in twee gedeelten opgerukt; de zestiende verenigden de colonnes zioch weer te Pasér; de colonne onder de luitenants Winter, Christoffel en Kempees had de veertiende langs de Tripa voortrukkend Pasér na hevig verzet genomen; de 18e werd de versterking Gémoejang bereikt en de kampong Péparéq Golp; na een zeer fanatiek verzet, waarbij ook veel vrouwen aan de strijd deelnamen, werd de versterking genomen; ook hier leden de Atjehers grote verliezen; het verzet nam intussen steeds toe: voortdurend werd de colonne beschoten uit het omringend heuvelterrein; uit ingekomen berichten bleek dat de bevolking, opgezweept door priesters en andere kwaadwillenden zich al sinds geruime tijd tot een hardnekkig verzet had voorbereid. De 22ste maart werd een uitgebreid kampongcomplex veroverd na een langdurige en heftige verdediging; Doerén, Koetö Lintang, Rödjö Silo en Koetö Blang vielen in Nederlandse handen. Nu werd ertoe overgegaan Koetö Lintang tot een blijvend bivak in te richten, als het centrum van waaruit naar de omliggende kampongs het beste geageerd zou kunnen worden; de colonne bleef hier tot de 4de juni, toen de tocht naar de Alas-landen werd aanvaard; gedurende die tijd moesten de volgende kampongs genomen worden: 4 april Badaq; 21 april Tjané Oekön en Toenggöl; 11 mei Penòsan; 18 mei Tampèng; door dagelijks gemaakte patrouilles en nachtelijke hinderlagen sneuvelden ook nog veel Atjehers. Nadat met de val van Tampèng het verzet in de Gajö-Loeös geheel gebroken was, de rechtmatige hoofden van de verschillende kampongs aan de oproep van de colonne-commandant op de 2de juni gevolg hadden gegeven, werd hun in een plechtige vergadering de bevelen van de regering medegedeeld waaraan zij te gehoorzamen hadden en die door een plechtige verzekering van hun kant aangenomen werden, was het programma van actie in het Gajö-gebied afgelopen, zodat de vierde juni de tocht naar de Alas-landen kon worden aanvaard.

thumb|left|Veldhospitaal te Lawe Sagoe De nu volgende dagen werd door de colonne steeds doorgemarcheerd; de tiende juni werd de vijandelijke bevolking uit de Alas-kampong N. Toealang verdreven en werd naar kampong Pĕnampakan doorgerukt en het bivak betrokken. De volgende dag werd de meer in het centrum der Alaslanden gelegen, gedeeltelijk versterkte maar door de bevolking verlaten kampong Lawé Sagoe bezet en daar werd verder verbleven tot de 16de juni; niet alleen door de voortdurende beschietingen uit het omringend terrein op het bivak en uitrukkende patrouilles, maar ook uit ingekomen berichten bleek al zeer spoedig dat ook de bevolking van het Alas-gebied, namelijk het Kĕdjoerònschap Bambél, niet Batoe Mboelön, zich tot een uiterste en hardnekkige verdediging had voorbereid, opgezweept door een groot aantal fanatieke priesters. De veertiende juni werd tot de vermeestering van de eerste versterking Koetö Réh, overgegaan, die volgens de belegeraars na een zwaar en hardnekkig verzet genomen werd. Bij deze aanval vielen 561 doden onder de verdedigers (313 mannen, 189 vrouwen en 59 kinderen) en slechts 2 onder de aanvallers. Ook werd die dag kampong Bambèl, gelegen aan de boven-Singkel-rivier werd tot bivak ingericht. Vanuit deze plaats werden de versterkingen Likat en Koetö Lengat Baroe respectievelijk de 20ste en de 24ste juni na hevig verzet genomen. Met de val van deze versterkingen was het verzet in de Bambèlstreek gebroken, terwijl het Kĕdjoeròmschap Batoe Mboelon - waarin twee versterkingen, Batoe Mboelön en Tandjoeng, die bijtijds verlaten waren - door de bijzondere bemoeiingen van Bérakan, de zoon van de oude Rödjö Mboelön, zich zonder noemenswaardige vijandelijkheden aan de colonnecommandant onderwierp. De 29ste juni meldden zich de hoofden van Bambèl en Batoe Mboelön met hun gevolg, waarna hun door de colonnecommandant de nodige bevelen van de regering ter opvolging werden voorgehouden.

Nu zijn taak in de Alas-landen volbracht was besloot Van Daalen de 1ste juli de tocht voort te zetten naar het Karö Batak-gebied, om de Pak-paklanden te kunnen bereiken; de dagen daarop volgend marcheerde de colonne voort en werd nu en dan beschoten; verdere gevechten vonden niet meer plaats; de 20ste juli werd eindelijk, na een lange mars, in de namiddag Siboga bereikt; de 21ste embarkeerden de troepen op de gouvernementsstomers "Albatros" en "Gier" en bereikte men na een onrustige zeereis de 23ste juli 's middags om 2 uur Oeleh Leh, waar de waarnemend gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden met andere autoriteiten de colonne welkom heette. Luitenant Ebbink onderscheidde zich gedurende deze tocht dusdanig, dat hij benoemd werd in de Militaire Willems-Orde en onder meer luitenant Watrin raakte tijdens de tocht gewond.

Referenties[bewerk | brontekst bewerken]

  1. "De moord te Koetö Réh", Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, 24 november 1905
  2. Sjabloon:Citeer web
  3. 1905 De tocht van overste van Daalen. Militaire Spectator. Bladzijde 638-639.